Column: Het rode vriendje

Foto

Bungalowparken en zwerfkatten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De laatste vier jaar heeft een rode ex-kater zijn intrek genomen in onze tuin. Een vriendschap ontwikkelde zich.

De eerste ontmoeting tussen ons verliep wat stroef. Vanuit de beschutting van de heg nam hij mij aanvankelijk zeer kritisch op. Mijn nieuwsgierige blik beviel hem blijkbaar niet, want direct nam hij de benen. In het weekeind dat volgde ontmoetten onze blikken elkaar opnieuw. Hij in de heg, ik vanaf het terras. Ditmaal bleef het beest zitten. Om de vriendschap een kans te geven schudde ik wat kattenbrokjes op een schaaltje en plaatste dat in een rustig gedeelte van de tuin. Zijn honger won het van de achterdocht; de brokjes werden met smaak opgegeten en daarna hield meneer het voor gezien.

De volgende morgen zette ik een schaaltje met blikvoer naast mijn tuinstoel. Na korte tijd kwam hij in de 'buikschuifmodus' op het lekkers af. Schijnbaar achteloos aaide ik over zijn rug tijdens het eten. Hij stond het toe. Een blik aan de achterzijde leerde mij dat het een ex-kater betrof. Na nog een paar voedersessies was de vriendschap gesloten. Omdat mijn vrouw en ik van mening zijn dat een kat niet naamloos door het leven kan gaan, besloten we hem het rode vriendje te noemen.

Sinds die tijd is het rode vriendje onze weekeindkat. Nadat wij op vrijdagavond arriveren, duurt het meestal niet lang voordat meneer zich aan de voordeur meldt: er moet gegeten worden. Grappig is dat hij het miauwen dat katten zo eigen is niet goed beheerst. Het is meer een soort kraakgeluid dat hij produceert. Na het eten moet er gekroeld worden, ik gehoorzaam gedwee.

Onze vriendschap kent echter ook grenzen: de voordeur. Niet dat hij zich daaraan stoort. Dat tijdens warme dagen de deuren wagenwijd open staan, beschouwt meneer als een invitatie om op bed te gaan liggen. Een verwijtende blik is meestal voldoende. Al krakend loopt hij vervolgens naar buiten. Voor zolang het duurt.

Door Koen Vugs